Verstandelijkbeperkt.nl
Dè site over verstandelijke beperking van het Expertisecentrum Verstandelijke Beperking      

Functie-Analyse

1-Omschrijving

2-Literatuur

3-Links


1-Omschrijving

  “De richting van de functionele gedraganalyse legt nadruk op een zorgvuldig onderzoek van de oorzaken in, en de gevolgen voor de omgeving van een gegeven responsrepertoire.” (Meichenbaum, 1981, p. 195). In de FA wordt een nauwkeurige analyse gemaakt van specifiek gedrag in de specifieke context, met al datgene wat aan het gedrag vooraf gaat en wat er op volgt. Daarmee wordt gedrag geplaatst in een keten van gebeurtenissen en aldus gezien als functioneel in deze keten: er is a.h.w. een logisch verband tussen gedrag en context. Bij een cognitieve functie-analyse komen daar de zelfopvattingen en de cognitieve schema’s die iemand hanteert nog bij. Dat is nog niet zo eenvoudig. Zo wordt er bijv. gewerkt met ABC-schema’s: observaties van voorafgaande gebeurtenissen (Antecendenten)– het gedrag zelf (Behaviour) – de daaropvolgende gebeurtenissen (Consequenten). Dan moet duidelijk zijn om welk specifiek gedrag we het hebben. We zien nl. niet allemaal hetzelfde. Wat is bijv. ‘grensoverschrijdend’ gedrag? Dat kan dan al verbaal, nonverbaal, fysiek onderscheiden worden. Maar wat de een als zodanig ervaart, is voor een ander niet automatisch ook zo. Enige eenduidigheid is noodzakelijk voor een adequate analyse.

In ieder geval is het zinnig om probleemgedrag goed te analyseren op tijd en plaats.

Prins & Bosch benoemen hierbij twee aspecten van analyse: de topografische en de functie analyse. De topografische richt zich op het bekijken van hoe het gedrag over een aantal situaties zich voordoet en waar het gedrag zelf concreet uit bestaat. De elementen daarvan bestaan uit: de fysieke omgeving; de activiteit; de periode tussen de aanleiding en het gedrag en het mogelijke verloop van de keten van reacties, frequentie, duur en opeenvolging van gedragingen; emoties en gedachten bij het gedrag (voor zover bekend); aanwezige personen. De functie-analyse richt zich op de mogelijke oorzaken of verbanden tussen het gedrag en de omgeving, waarvoor verschillende veronderstellingen (hypothesen) kunnen bestaan. De topografische analyse is de meest gedetailleerde observatie. Het is voor een analyse te overwegen hoe vaak het gedrag bekeken wordt. Zo kun je verschillende technieken hanteren om gedrag te scoren: 1) tijd-opnamen van bijv. 30 min. op een bepaald moment per dag; 2) telkens als het gedrag zich voordoet – d.w.z. wanneer het om gedrag gaat dat niet zo vaak optreedt; 3) intervals-gewijs, bij tics bijv., dan voor een bepaalde periode elke 30 sec. turven of het gedrag voorkomt. Verder kan men kiezen voor een periode-afhankelijke observatie van een opstaan-moment, eetmoment of bij het naar bed gaan. Er worden in de praktijk veel verschillende vormen van FA toegepast. De methode van Heykoop* zou zo gezien een intensieve en uitgebreide FA kunnen zijn. In ieder geval gaat het er om te ontdekken welk verband (probleem)gedrag en omgeving vormen, of er zaken zijn die het gedrag in stand houden, of uitlokken, dan wel bevorderen of belonen. Daarbij is dan nog van belang te ontdekken of de ‘stimulus’ in dit proces positief of negatief is voor de betrokkene. Een eenmaal negatieve ervaring in een situatie kan eenvoudig leiden tot een voortdurend vermijdingsgedrag van soortgelijke situaties, of omgekeerd.

2-Literatuur

- Korrelboom, K, & E. ten Broeke, Geïntegreerde cognitieve gedragstherapie. Handboek voor theorie en praktijk, Bussum, 2004.

- Prins, P.J.M. & J.D. Bosch (red.), Methoden en technieken van gedragstherapie bij kinderen en jeugdigen, Houten, 1998.

 

3-Links

www.vgct.nl